Paalhoofden op het strand van Domburg in november, dubbele palenrij richting de Noordzee

Wie Domburg alleen in augustus kent, kent het niet. In november, als de strandcabines van het strand zijn gehaald en de wind door de Manteling trekt, is het een ander dorp: stiller, kaler, met de zee als enige geluid. Dat Domburg, het Domburg buiten het seizoen, is het decor van mijn thriller Schaduwen over Domburg. Dit is het dorp zoals ik het ken, en waarom het om een verhaal vroeg.

De oudste badplaats van Zeeland

Domburg ligt op de noordwestpunt van Walcheren, met de rug naar het land en het gezicht naar zee. Alleen Westkapelle steekt verder de Noordzee in. Die ligging bepaalt alles: het licht, de wind, en de geschiedenis die hier steeds opnieuw aanspoelde. Soms letterlijk. Na een najaarsstorm in de zeventiende eeuw kwamen op het strand altaarstenen tevoorschijn van Nehalennia, de zeegodin die hier in de Romeinse tijd werd vereerd door schippers die een behouden overtocht afsmeekten. De zee geeft bij Domburg af en toe iets terug. Daar begint mijn boek.

Al in de negentiende eeuw kwamen de eerste badgasten: adel, gefortuneerde families, kuurgangers die geloofden in de heilzame werking van zeelucht en zeewater. Het Badhotel werd het middelpunt van dat mondaine leven, en dat is het in zekere zin nog steeds. Domburg had standing toen de rest van de Zeeuwse kust nog vissersdorp was.

Het Badpaviljoen van Domburg uit 1889 op het duin, met witte veranda's en hoektoren met lantaarn

Het licht van Toorop en Mondriaan

Rond 1900 streek in Domburg een kunstenaarskolonie neer rond Jan Toorop. Piet Mondriaan schilderde er zijn duinen en zijn vuurtoren, op weg naar de abstractie die hem wereldberoemd zou maken. Het kleine Toorop-paviljoen in het dorp herinnert er nog aan.

Kunstenaars zien iets eerder dan anderen. Wat zij hier vonden, dat harde en heldere Zeeuwse licht boven een landschap zonder versiering, is precies wat een verhaal nodig heeft. Een decor dat niets verbergt en juist daardoor alles kan verbergen.

De golfbaan met 437 littekens

Aan de rand van het dorp, in de duinen, ligt de Domburgsche Golfclub. Aangelegd in 1914, de oudste golfbaan van Nederland die nog in zijn oorspronkelijke vorm wordt bespeeld. Voor de oorlog liepen de caddies er in Walcherse klederdracht.

Toen kwam september 1941. De Duitse bezetter vorderde het terrein en bouwde de baan vol met betonnen bunkers en een kustbatterij. Domburg werd een schakel in de Atlantikwall. In de aanloop naar de landing bij Westkapelle bombardeerden de geallieerden die batterij, en heel gericht ook de Westkapelse zeedijk. Dat was tactiek: door het gat in de dijk liep Walcheren onder en stond de Duitse verdediging letterlijk in het water. Het eiland betaalde de prijs van zijn eigen bevrijding. Het zoute water stond er meer dan een jaar. Op de golfbaan vielen honderden bommen. Pas in 1955 kon er weer gespeeld worden.

Bij het herstel deed de club iets opmerkelijks. De bomkraters, 437 in totaal, werden niet dichtgegooid maar omgevormd tot grasbunkers, de verdiepte hindernissen die golfers kennen. Ze liggen er nog, en vanuit de lucht zijn de kraters goed te zien. De Duitsers bouwden er hun betonnen bunkers. De geallieerde bommen sloegen er kraters. En van die kraters maakte de club bunkers in de golfbetekenis van het woord, zodat op deze baan het onschuldigste woord uit het golfjargon een oorlog in zich draagt.

Dat is Domburg in het klein: een vriendelijk oppervlak waaronder de geschiedenis nooit helemaal is weggezakt. Toen ik een plek zocht waar een thriller kon beginnen, hoefde ik niet ver te zoeken.

Het gepokte terrein van de Domburgsche Golfclub, waar de bunkers uit bomkraters zijn ontstaan

Wind, regen, wind, Duitsers

Wie vandaag door Domburg loopt, hoort meer Duits dan Nederlands. Ze komen vooral uit Nordrhein-Westfalen, uit het Ruhrgebied. Voor wie in Essen of Dortmund woont, is de Zeeuwse kust dichterbij dan de Duitse. En ze komen niet voor het weer. Ze komen ondanks het weer, voor wat ze zelf frische Luft noemen: de prikkelende zeelucht waarmee Domburg ooit als kuuroord begon. De cirkel is rond. De kuurgasten van 1880 en de gezinnen van nu zoeken hier hetzelfde.

Er zit een diepere laag onder. Luttele jaren na de oorlog, nog met de bunkers in de duinen, hingen in de Zeeuwse kustdorpen alweer bordjes achter de ramen: Zimmer frei. Boerenkinderen sliepen 's zomers in de schuur zodat hun slaapkamer verhuurd kon worden aan Duitse gasten. Geen wrok, geen groot gebaar, gewoon verder. Nuchterder dan dat wordt het niet, en Zeeuwser ook niet.

Strandovergang tussen de duinen bij Domburg onder een grijze novemberlucht

De Boulevard van Schagen en de watertoren

Domburg heeft geen boulevard zoals Vlissingen die heeft. Wat het wel heeft, is de Boulevard van Schagen: een smal duinpad met een deftige naam, dat boven over de duinen slingert, met het dorp aan de ene kant en over het duin de zee. Onderweg passeer je het bankje van Nehalennia en kijk je uit over de paalhoofden, de rijen zwarte palen die om de paar honderd meter het strand insteken en die de schilders van 1900 al vastlegden. Aan het oostelijke eind rijst de watertoren op, zo dicht bij de duinen dat de strandvakken eronder gewoon "Watertoren" heten.

Wie hier in november loopt, alleen, met de wind vol op de jas, begrijpt waarom dit pad in mijn boek terechtkwam.

De watertoren van Domburg tussen de duinen en de zee

Domburg bezoeken

Praktisch, voor wie het dorp zelf wil zien: Domburg ligt op ruim een uur rijden van Rotterdam. Het strand behoort tot de schoonste van Nederland, het dorp is compact en autoluw. Het Toorop-paviljoen en museum Terra Maris in de Manteling bij Oostkapelle geven de geschiedenis context, de Domburgsche Golfclub is voor spelers een bedevaartsoord. En wie het echte Domburg wil zien, komt buiten het seizoen. Oktober, november, als de badgasten weg zijn en het dorp weer van zichzelf is.

Het Domburg van het boek

In Schaduwen over Domburg is het dorp meer dan decor. Het begint op het strand onder de watertoren, op een novemberochtend, bij een paalhoofd waar de zee iets heeft achtergelaten. Het Badhotel, de oude golfbaan met haar geschiedenis, de duinpaden buiten het seizoen: het zijn de plekken waar mijn hoofdpersoon ontdekt dat de rust van een badplaats bedrieglijk kan zijn, en dat de lijnen tussen de Zeeuwse kust en de Rotterdamse haven korter zijn dan ze lijken.