Hoofdstuk 1

Het Lichaam

Toen het water zich die ochtend bij Domburg terugtrok, lag Michael Harlan op het strand.

Tom Jansen had die naam vijf jaar niet hardop gehoord. Gisteravond had Henk Maaskant hem uitgesproken, door de telefoon, zonder hallo. Nu lag de naam hier, op zijn zij in het natte zand, met een kogel achter het linkeroor.

De mist hing laag over de duinen en nam het strand zijn verte af. Er was alleen nog het lint van de afzetting, een bus met open achterdeuren bij de duinovergang en een jonge agent die met zijn voeten stond te stampen. Jansen kende dat stampen. Hij had het zelf gedaan, jaren geleden, op een kade in de Waalhaven, naast een man die uit een container was gehaald. Je stampte omdat je voeten koud waren. Je bleef stampen omdat je niet wist wat je anders met jezelf moest doen.

'Geen sporen van een worsteling,' zei de agent. 'Horloge nog om.'

Jansen hurkte.

Om de linkerpols zat een zwart sporthorloge, groot en lomp, het soort dat soldaten en bergwandelaars droegen. Het scherm gaf nog licht. Een man die zo'n horloge droeg, wilde altijd weten waar hij was.

Bleke huid. Kort grijs haar, nat tegen de slapen. Op de onderarm een verbleekte tatoeage: adelaar, wereldbol, anker. Het embleem van het Amerikaanse marinierskorps. Daarna was Harlan de logistiek in gegaan. Rotterdam. Landbouwmachines, materiaal voor Oekraïne. Er was ook over wapens gesproken, maar een dossier daarover had Jansen nooit gezien.

Wel papieren die nooit helemaal klopten.

Uit de mobilofoon van de dienstwagen kwam een gewone Zeeuwse ochtend. Een aanhouding in Oostkapelle. Een wegafzetting bij Westkapelle. Een kenteken dat moest worden nagetrokken. Niets daarvan had met Harlan te maken.

De meeuwen stonden een eind verderop in het zand. Ze waren er eerder geweest dan de politie, en de schouwarts zou straks vastleggen wat ze hadden gedaan. Eén liep een paar passen naar voren, bleef staan en wachtte. Ze zouden er ook nog zijn als iedereen weer weg was.

Zijn telefoon ging. Onbekend nummer.

Hij nam op zonder van het lichaam weg te kijken.

'Jansen.'

'Freja Larsen. Recherche Kopenhagen.' Een kalme stem. Goed Nederlands, alleen in sommige klinkers zat nog iets van het noorden. 'Wij volgen Michael Harlan al maanden.'

Jansen keek naar het lichaam.

'Volgden.'

Aan de andere kant bleef het even stil.

'Ja,' zei ze. 'Volgden.'

'Waarvoor?'

'Harlan verscheepte niet alleen landbouwmachines.'

'Wat dan wel?'

'Dat bespreek ik niet aan de telefoon.'

Jansen kwam overeind. Zijn knieën lieten hem weten dat hij geen dertig meer was.

'Waarom belt u mij dan? Het bureau kan u alles vertellen wat u wilt weten.'

'Het bureau krijgt zijn informatie.'

'Dat was mijn vraag niet.'

Het duurde een paar tellen voor ze antwoordde.

'Ik zeg u één ding,' zei ze. 'Zodat u weet dat ik niet voor niets bel. Er is een Russische kant aan deze zaak. Ik ben onderweg. Ik wil met u praten voordat anderen zich ermee gaan bemoeien.'

'Anderen.'

'Ik bel u.'

Ze hing op.

Jansen hield de telefoon nog een moment vast. Een Russische kant. Maaskant had daar niets over gezegd. Of Maaskant had het niet geweten. Jansen wist niet welke van de twee hem minder beviel.

Buiten de afzetting stak hij een sigaret op. De wind nam de rook mee voordat hij er iets aan had.

Op zee was geen schip te zien. Hij wist niet of dat in Domburg gewoon was. In Rotterdam kon hij zich geen horizon herinneren zonder een romp erop.

Maaskant had gisteravond niet veel woorden nodig gehad. Dat had hij nooit gehad.

'Zeeland heeft een lichaam met een havenverleden. Ik heb iemand nodig die de containers kent.'

'Ik ben met pensioen.'

'Dat weet ik.' Twee seconden niets. 'Tijdelijk. Eén zaak.'

'Waarom ik?'

Toen had Maaskant de naam genoemd, en daarna had hij gewacht. Hij wist dat hij niets meer hoefde te zeggen.

Vijf jaar geleden had Harlan in een dossier gestaan dat nooit echt was gesloten. Ze hadden veel geweten en weinig kunnen bewijzen. Kort daarna had Jansen op een avond op een achterbank in Katendrecht gezeten en besloten dat het genoeg was.

Hij had gedacht dat hij daarmee iets had afgesloten.

Bij Harlan zat de schouwarts nu op zijn hurken. Een forensisch rechercheur fotografeerde de wond achter het oor. De jonge agent stond met zijn handen diep in zijn zakken en stampte niet meer.

Jansen keek naar de duinen. Daarachter, voorbij de mist en ruim een uur asfalt, lag de haven. Twintig jaar had hij er gewerkt. Hij kende haar geduld.

Havens hebben nooit haast.

Ze vergeten ook niets.

Hij liet de sigaret in het natte zand vallen, drukte hem uit met zijn hak en liep naar de auto.

Dit was het eerste hoofdstuk. De rest van het verhaal speelt zich af tussen de Rotterdamse haven en de kust van Zeeland. Het boek is nog niet verschenen.

Nog niet aangemeld voor de verschijningsdatum?

Laat uw e-mailadres achter, dan krijgt u bericht zodra het boek er is.

Terug naar het boek

Hoofdstuk 1: Het Lichaam | Schaduwen over Domburg