Hoofdstuk 1
Het Lichaam
Toen het water zich die ochtend bij Domburg terugtrok, lag Michael Harlan op het strand.
Tom Jansen stond enkele meters van het lichaam. De politie had het strand ruim afgezet. Verderop, bij de duinovergang, wachtte een forensisch team naast een bus met geopende achterdeuren.
Niemand kwam dichterbij dan nodig was.
Het was nog vroeg. Mist hing laag boven de duinen en ontnam het strand zijn verte. Jansen zette zijn kraag op. De wind vond toch een weg naar binnen. De kou trok vanuit het zand door zijn schoenen omhoog.
Vijf jaar geleden had hij de actieve dienst verlaten. Gisteravond had Henk Maaskant gebeld.
Voor één zaak was Jansen tijdelijk teruggehaald als rechercheur en havenspecialist. Niet in zijn oude functie en niet voor onbepaalde tijd.
Een jonge agent stond bij het lichaam. Zijn wangen waren rood van de wind. Af en toe stampte hij met zijn voeten in het zand.
'Kogel achter het linkeroor,' zei hij. 'Geen sporen van een worsteling. Horloge zit er nog.'
Jansen keek naar de pols.
'Loopt ook nog.'
De agent wees ernaar en trok zijn hand weer in zijn mouw.
Bij de duinovergang stond een dienstwagen met een open portier. Uit de mobilofoon kwamen berichten die niets met Michael Harlan te maken hadden. Een aanhouding in Oostkapelle. Een wegafzetting bij Westkapelle. Een kenteken dat moest worden nagetrokken.
Jansen hurkte.
Het was een duur stuk, Zwitsers waarschijnlijk. Onder het glas zag hij de secondewijzer kruipen, gelijkmatig, zonder haast.
Een automatisch uurwerk leefde van beweging. Als Harlan in het water had gelegen, konden de golven het gaande hebben gehouden. Het horloge zei dus niets over het tijdstip waarop hij was gestorven.
Het liep alleen.
De seconden gingen door. De man niet meer.
Jansen keek naar Harlans gezicht. Bleke huid, kort grijs haar, nat tegen de slapen. Achter het linkeroor zat een kleine, donkere wond.
Op zijn onderarm was een verbleekte tatoeage zichtbaar.
USMC.
Adelaar, wereldbol, anker.
Dat strookte met wat Jansen onderweg had meegekregen. Ex-marinier. Daarna logistiek. Rotterdam. Transporten die op papier eenvoudiger waren dan ze in werkelijkheid bleken te zijn. Landbouwmachines. Materiaal voor Oekraïne. Wapens waren genoemd, maar nog zonder dossier dat Jansen zelf had gezien.
Papieren die nooit helemaal klopten.
De meeuwen waren eerder bij Harlan geweest dan de politie. De schouwarts zou straks precies vastleggen wat ze hadden gedaan. Nu stonden de vogels verderop in het zand. Een van hen liep een paar passen naar voren, bleef staan en wachtte.
Jansen begreep het geduld.
Harlan zou straks in een zak van het strand verdwijnen.
Zijn telefoon ging.
Onbekend nummer.
Hij nam op zonder van het lichaam weg te kijken.
'Jansen.'
'Freja Larsen. Recherche Kopenhagen.'
De vrouwenstem was kalm. Haar Nederlands was goed; alleen aan sommige klinkers hoorde hij iets Scandinavisch.
'Ik begrijp dat u betrokken bent bij de zaak in Domburg.'
'Dat klopt.'
'Het slachtoffer heet Michael Harlan. Wij volgen hem al maanden.'
Jansen keek opnieuw naar het lichaam.
'Volgden.'
Aan de andere kant bleef het een ogenblik stil.
'Ja,' zei Larsen. 'Volgden.'
'Waarvoor?'
'Harlan verscheepte niet alleen landbouwmachines.'
'Wat dan wel?'
'Dat bespreek ik niet aan de telefoon.'
Jansen kwam overeind.
'Waarom belt u mij dan?'
'Omdat Rotterdam in ons onderzoek voorkomt. En omdat Harlan daar contacten had die voor ons belangrijk zijn.'
'Dat kan het bureau u ook vertellen.'
'Het bureau krijgt zijn informatie.'
'Dat was mijn vraag niet.'
Larsen antwoordde pas na een paar tellen.
'Er is een Russische connectie,' zei ze. 'Meer zeg ik daar nu niet over. Ik ben onderweg. Ik wil met u spreken voordat andere belangen zich met deze zaak gaan bemoeien.'
Jansen keek over het strand. De horizon was in de mist verdwenen.
'U bent snel.'
'Niet snel genoeg voor Harlan.'
'Wanneer bent u hier?'
'Ik bel u.'
De verbinding werd verbroken.
Jansen hield de telefoon nog een moment in zijn hand.
Een Russische connectie. Maaskant had daar niets over gezegd.
Hij stak buiten de afzetting een sigaret op.
De rook werd meteen door de wind meegenomen. Aan de horizon was nog altijd geen scheepvaart te zien. Hij wist niet of dat voor Domburg normaal was. In Rotterdam kon hij zich nauwelijks een horizon zonder schip herinneren.
Achter hem riep iemand dat de schouwarts eraan kwam.
Jansen rookte verder.
Maaskant had hem de avond ervoor gebeld zonder hallo. Ook daarin was niets veranderd.
'Zeeland heeft een lichaam met een havenverleden.'
Jansen had gewacht.
'We hebben iemand nodig die de containers kent.'
'Ik ben met pensioen.'
Twee seconden stilte.
'Dat weet ik.'
Nog twee.
'Tijdelijk. Deze zaak.'
'Waarom ik?'
Maaskant had de naam genoemd.
'Michael Harlan.'
De naam was genoeg.
Vijf jaar eerder had Harlan al in een dossier gestaan dat nooit werkelijk was afgesloten.
Jansen herinnerde zich een achterbank in Katendrecht. Een avond waarop hij had besloten dat het klaar was.
Hij had daarna zijn werk verlaten en vijf jaar lang geen reden gezocht om terug te keren.
Maaskant had hem er één gegeven.
Jansen keek naar het strand.
Bij Harlan was de schouwarts inmiddels neergehurkt. Een van de forensisch rechercheurs fotografeerde de wond. De jonge agent stond iets verderop met zijn handen diep in zijn jaszakken.
Het horloge liep nog steeds.
Jansen dacht aan het dossier van vijf jaar geleden. Aan wat ze toen hadden geweten, en vooral aan wat ze niet hadden kunnen bewijzen.
Hij keek nog één keer naar het horloge.
De secondewijzer kroop verder. Straks zou het uurwerk meegaan op de brancard, in de wagen, over iedere drempel en iedere bocht. Zolang er beweging was, zou het blijven lopen.
Pas ergens op een plank, in een stille ruimte, zou het uiteindelijk stilstaan.
Niemand zou weten op welk moment.
Jansen draaide zich om naar de duinen.
Daarachter, voorbij de mist en ruim een uur asfalt, lag de haven te wachten.
Hij had er ongeveer twintig jaar gewerkt.
Niet ongeduldig. Havens zijn nooit ongeduldig.
Maar ze vergeten ook niets.
Jansen liet zijn sigaret in het natte zand vallen, drukte hem uit met zijn hak en liep naar de auto.


